Over de oorsprong van boeddhistische teksten

“Er bestaan geen aantekeningen van de woorden van de Boeddha in zijn eigen taal.”
– Thich Nhat Hanh

Het tijdvak vanaf het optreden van de Boeddha tot ongeveer honderdvijftig jaar later wordt die van het bronboeddhisme genoemd. Daarna begint dit zich te vertakken en vangt de periode van het vele-scholenboeddhisme aan.

Vijfhonderd jaar lang wordt de leer van de Boeddha mondeling doorgegeven. Twee canons worden daarna op schrift gesteld:
– de Pali Canon (geschreven in het Pali, op Sri Lanka), die de zuidelijke traditie van de Theravada-school vertegenwoordigt, is grotendeels bewaard gebleven;
– van de Canon van de noordelijke traditie van de Sarvastivada-school (geschreven in het Sanskrit en het Pakrit) bestaan enkel nog fragmenten, maar er zijn wel vertalingen van teksten uit deze canon overgeleverd in het Chinees en het Tibetaans.

Naast deze twee canons ontwikkelde zich een stroom van teksten toen ongeveer vanaf het begin van onze jaartelling het Mahayana-boeddhisme zich vanuit India naar Oost Azië begon te bewegen.

Bron: Thich Nhat Hanh, Het hart van Boeddha’s leer (vierde druk, 2008), hoofdstuk 4.